Groningen en slavernij
NLEN
Menu
Verhaal · 1807–1857

Cornelis Star Numan: erfgenaam en abolitionist?

Op 16 november 1841 ontving de Groningse hoogleraar Cornelis Star Numan een Engelse abolitionist in zijn huis. Hij was de kleinzoon van een slaveneigenaar, en acht jaar eerder had hij diens bezit mee geërfd.

Lieuwe Jongsma · 36 noten · rondleiding in 9 stappen
Het embleem van de Britse beweging tegen slavenhandel en slavernij: een geknielde, geketende man met de vraag "Am I not a man and a brother?". Medaillon van Josiah Wedgwood, ontworpen door William Hackwood, 1787. Walters Art Museum, Baltimore (publiek domein).
Het embleem van de Britse beweging tegen slavenhandel en slavernij: een geknielde, geketende man met de vraag “Am I not a man and a brother?”. Medaillon van Josiah Wedgwood, ontworpen door William Hackwood, 1787. Walters Art Museum, Baltimore (publiek domein). Bron

Op dinsdagochtend 16 november 1841 kwamen in een huis aan de Oude Kijk in ‘t Jatstraat in Groningen een paar mensen bij elkaar om een Engelsman te ontmoeten. Het huis was van Cornelis Star Numan, hoogleraar rechten aan de Groningse hogeschool, en zijn vrouw Octavia van Swinderen. De Engelsman was John Scoble, die namens de British and Foreign Anti-Slavery Society door Nederland reisde om de Nederlanders over te halen de slavernij in hun koloniën af te schaffen. Een paar weken later schreef het blad van de Society wat er die ochtend gebeurde:

Next morning Mr. Scoble met several friends of the slave at Dr. Numan’s and was much encouraged to find that the ladies present felt deeply interested in it.1

Wie die “ladies” waren, staat er niet bij. Ook Octavia wordt niet genoemd, al was het haar huis.

Scoble kwam uit een land dat de slavernij al had afgeschaft. In 1833 nam het Britse parlement de Slavery Abolition Act aan. Op 1 augustus 1834 werden de tot slaaf gemaakten in de Britse koloniën vrij verklaard, al moesten de meesten nog tot 1838 als “apprentices” voor hun vroegere eigenaars werken. De eigenaars kregen samen twintig miljoen pond schadeloosstelling.2 Daarna richtten de Britse abolitionisten zich op de rest van de wereld. In 1839 richtten zij de British and Foreign Anti-Slavery Society op, met een eigen blad, de Anti-Slavery Reporter.3 Scoble was een van de leiders. De Drentsche Courant noemde hem “mededirecteur” van het genootschap.4

John Scoble (rechts) naast de zendeling William Knibb, uitsnede uit The Anti-Slavery Society Convention, 1840, door Benjamin Robert Haydon, 1841. National Portrait Gallery, Londen (publiek domein, via Wikimedia Commons).
John Scoble (rechts) naast de zendeling William Knibb, uitsnede uit The Anti-Slavery Society Convention, 1840, door Benjamin Robert Haydon, 1841. National Portrait Gallery, Londen (publiek domein, via Wikimedia Commons). Bron

De dag ervoor had Scoble Star Numan al ontmoet, bij Hermannus Rudolphus Haijunga thuis. Haijunga was president geweest van het hooggerechtshof van Suriname. Aan tafel zaten ook de theologen Petrus Hofstede de Groot en L.G. Pareau. Het gesprek ging volgens het verslag over “the various difficulties” van een “immediate and entire emancipation”, een onmiddellijke en volledige afschaffing.1 Diezelfde dinsdagavond sprak Scoble in logement De Doelen voor een gezelschap van aanzienlijke Groningers, onder voorzitterschap van gouverneur Rengers. Star Numan was er weer bij, net als Haijunga, Hendrikus Octavius Feith en Hendrik Ludolf Wichers.1 De Drentsche Courant schreef dat Scoble “zeven quartier uurs” in het Engels sprak. Hij voerde aan “dat de invoering van het Christendom onder de slaven eene hersenschim is, zoolang zij niet in vrijheid gesteld worden”, en dat men weinig van de prediking zou zien “zoolang de slaven de Europeanen zien naderen met den bijbel in de eene, en de slavenzweep in de andere hand”.4

Toen Scoble kort daarna met de diligence vertrok, stond Star Numan erbij om afscheid te nemen. Dat weten we uit een brief die een van de andere aanwezigen hem nastuurde. Die schrijver kwam zelf te laat. “My friends, professor C. Star Numan and Captain Cool, of the royal navy, were happier than I was.” In dezelfde brief vroeg hij om meer exemplaren van het blad van de Society voor “the members of the Committee at Groningen”.1 Nummers van dat blad uit 1841 en 1842 liggen nog altijd in het archief van Star Numan.5

Het huis aan de Oude Kijk in ‘t Jatstraat is het huidige Hinckaertshuis, een van de weinige middeleeuwse stenen huizen die in de stad over zijn. Star Numan woonde er in elk geval van 1836 tot zijn dood.6 Hij was in 1834 als hoogleraar naar Groningen gekomen, zevenentwintig jaar oud. In datzelfde jaar had hij in Sappemeer zijn handtekening gezet onder de aangifte van de nalatenschap van zijn grootvader, Cornelis Star Lichtenvoort.7 Die grootvader was advocaat geweest op Curaçao. Samen met zijn vrouw Maria Kock had hij daar tot slaaf gemaakten bezeten. Een van hen, Louis Alons, hadden zij meegenomen naar hun buitenplaats Welgelegen bij Sappemeer, waar hij knecht en koetsier was.

De zijgevel van het huis aan de Oude Kijk in 't Jatstraat 6, het Hinckaertshuis. Foto P.B. Kramer, 1931; zijn kleinzoon mr. C.A. Star Numan woonde er toen. Groninger Archieven, NL-GnGRA_1785_3253.
De zijgevel van het huis aan de Oude Kijk in ‘t Jatstraat 6, het Hinckaertshuis. Foto P.B. Kramer, 1931; zijn kleinzoon mr. C.A. Star Numan woonde er toen. Groninger Archieven, NL-GnGRA_1785_3253. Bron

De man die Scoble in zijn huis ontving, was dus de kleinzoon en erfgenaam van een slaveneigenaar. Dit verhaal gaat over de vraag wat hij met die erfenis deed.

Cornelis Star Numan werd op 2 februari 1807 geboren in Sappemeer, “een der bloeijendste dorpen in de provincie Groningen, waar zijn vader, de Heer Alexander Numan destijds de Genees- en Vroedkundige praktijk uitoefende”.8 Zijn moeder, Catharina Dorothea Star Lichtenvoort, was een dochter van Cornelis Star Lichtenvoort en Maria Kock. Op 15 februari werd hij in Sappemeer gedoopt.9

Zijn biograaf, zijn Groningse collega J.H. Philipse, beschrijft een ouderlijk huis waar men graag over Latijnse dichters sprak. De grootvader deed daar volop aan mee: van hem werd gezegd “dat hij op bijna tachtigjarigen ouderdom nog vlug en juist het Latijn schreef en sprak”.8 Star Lichtenvoort was van 1795 tot 1802 curator van de Groningse hogeschool geweest.10 Kort na zijn zevende verjaardag ging Cornelis naar het instituut van P.J. Rünckel in Hoogezand. Zijn leraar daar herinnerde zich hem als “vlug, nadenkend, getrouw van geheugen, vrolijk en goedhartig”. Volgens hem mocht “ieder op school en in ‘t dorp” de jongen lijden.8

Op Welgelegen, de buitenplaats van zijn grootouders in Kleinemeer, werkte in die jaren Louis Alons als knecht en koetsier. Zijn geschiedenis staat in het verhaal over Louis Alons. In april 1820 liet de grootvader zijn rijtuigen en paarden verkopen.11 Cornelis was toen dertien. In de levensberichten van Star Numan komen Louis, Curaçao en de herkomst van het familiebezit niet voor. Het kan haast niet anders of de jongen kende hem, maar een bron die dat zegt is er niet.

In 1822 werd Alexander Numan directeur van de Veeartsenijschool in Utrecht. Het gezin verhuisde mee, en Cornelis, “ter naauwernood den vijftienjarigen leeftijd bereikt hebbende”, werd student aan de Utrechtse hogeschool.8 Hij studeerde eerst letteren en daarna rechten. Na de Belgische opstand vormden de Utrechtse studenten in het najaar van 1830 een compagnie vrijwillige jagers. Star Numan werd sergeant, “aan het hoofd geplaatst van het 3e peloton”, en vervulde “maanden lang met onverdroten ijver zijne soms moeilijke dienstpligten”.12 Op 12 augustus 1831 stond de compagnie bij Leuven tegenover het Belgische leger.8 Ruim drie maanden eerder, in de nacht van 7 op 8 mei, was Louis Alons in zijn huis in Kleinemeer gestorven.13

Na de veldtocht pakte Star Numan zijn studie weer op. Op 27 november 1833 promoveerde hij in Utrecht op een studie over Il Principe van Machiavelli.8 Nog geen drie weken later stierf zijn grootvader.

Het jaar 1833 nam hem twee mensen af. Op 16 augustus stierf zijn moeder in Utrecht, ruim 63 jaar oud.14 Op 15 december stierf zijn grootvader in Sappemeer, “in den ouderdom van ruim negentig jaren”.15 Omdat zijn moeder eerder was gestorven dan haar vader, kwam haar deel van de erfenis rechtstreeks bij haar twee kinderen terecht: Cornelis en zijn zus Johanna Sophia.

In maart 1834 leverden de erfgenamen de memorie van successie in, de aangifte van de nalatenschap. Naast de vier kinderen van Star Lichtenvoort staan daarin “Zyne twee meerderjarige Kindskinderen den Heer Mr. Cornelis Star Numan, Advokaat en Mejuffrouw Johanna Sophia Numan, zonder beroep, beide woonachtig te Utrecht als representerende wylen hunne moeder Katharina Dorothea Star Lichtenvoort”. De memorie somt 33 posten grond en huizen op, onder meer in Sappemeer, Hoogezand, Noorddijk en Slochteren. Een daarvan is “de Buitenplaats Welgelegen genaamd, bestaande in huis, schuur, erf, tuinen, water, bosch, bouw en weideland”, bijna acht hectare groot. Onderaan staat de handtekening “C. Star Numan”.7

Het slot van de memorie van successie van Cornelis Star Lichtenvoort, "geteekend te Sappemeer Maart 1800 vierendertig". Tussen de handtekeningen van zijn ooms en tantes staan die van "C Star Numan" en zijn zus "J.S. Numan". Groninger Archieven, toegang 1890, inv. 73.
Het slot van de memorie van successie van Cornelis Star Lichtenvoort, “geteekend te Sappemeer Maart 1800 vierendertig”. Tussen de handtekeningen van zijn ooms en tantes staan die van “C Star Numan” en zijn zus “J.S. Numan”. Groninger Archieven, toegang 1890, inv. 73. Bron

Over Curaçao staat er niets in, en ook niet over geld, effecten of mensen. Dat zegt weinig: bij erfgenamen in de rechte lijn hoefde de memorie toen alleen het onroerend goed te vermelden.16 Waar het vermogen van Star Lichtenvoort vandaan kwam, en wat daarvan nog uit de plantage en de mensen op Curaçao stamde, valt uit dit stuk niet op te maken.

Het nieuwe jaar bracht ook iets anders. Na de dood van de Groningse hoogleraar Gabinus de Wal zochten de curatoren een opvolger. Hun keus viel op de jonge Utrechtse doctor. Eind april 1834 werd Star Numan bij koninklijk besluit benoemd tot hoogleraar in de rechten in Groningen.17 Op 11 juni hield hij zijn oratie, in het Latijn, over de vraag hoe het publiekrecht in zijn eigen tijd het best beoefend kon worden.18 Drie maanden later, op 15 september, trouwde hij in Groningen met Octavia Cornelia Susanna van Swinderen van Rensuma, een dochter van het Tweede Kamerlid Oncko van Swinderen. Een van de getuigen was haar broer Oncko Quirijn Jacob Johan van Swinderen.19

Portret van Cornelis Star Numan als hoogleraar, in toga met bef, door Jan Ensing, 1851–1854. Universiteitsmuseum Groningen. Foto Vysotsky, Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0.
Portret van Cornelis Star Numan als hoogleraar, in toga met bef, door Jan Ensing, 1851–1854. Universiteitsmuseum Groningen. Foto Vysotsky, Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0. Bron
Portret van Octavia Cornelia Susanna Star Numan-van Swinderen (1806–1896), carte-de-visite door J.H. Egenberger, Groningen, ca. 1864–1875. RKD, Den Haag, IB 1025814.
Portret van Octavia Cornelia Susanna Star Numan-van Swinderen (1806–1896), carte-de-visite door J.H. Egenberger, Groningen, ca. 1864–1875. RKD, Den Haag, IB 1025814. Bron

Het paar ging wonen aan de Oude Kijk in ‘t Jatstraat. Daar werden hun vijf kinderen geboren: Catharina Dorothea in 1836, mogelijk vernoemd naar de moeder van Cornelis, een dochter die in 1838 levenloos ter wereld kwam, Oncko Wicher in 1840, Anne Willemine in 1843 en Alexander Henricus in 1845.20 Toen Scoble in november 1841 kwam, had het paar twee kinderen: een dochter van vijf en een zoon van één.

Wat deed Star Numan na het bezoek van Scoble? Het antwoord moet uit een handvol papieren komen. Er waren in Groningen in die jaren mensen die zich met het lot van de tot slaaf gemaakten bezighielden. In mei 1841 schreef een Amsterdamse correspondent van de Society naar Londen dat hij bezoek had gehad van een vriend uit Groningen. Daar hadden ze een vereniging opgericht die wel “anti-slavery principles” had, maar zich zo niet noemde. Haar naam was “Society for the Promotion of the Temporal and Spiritual Welfare of the Negros in the West India Plantations”.21 In 1842 meldde Teenstra dat er “onlangs” een Gronings departement was opgericht van de Maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven in Suriname.22 Of dat dezelfde vereniging was, en of het “Committee at Groningen” uit de brief aan Scoble daarbij hoorde, weten we niet. Een ledenlijst is niet gevonden. Dat Star Numan lid was, is goed mogelijk, maar het staat nergens.

Wel bewaarde hij nummers van The British and Foreign Anti-Slavery Reporter uit 1841 en 1842. Ze liggen in zijn archief bij de Groninger Archieven, samen met aantekeningen voor een toespraak tegen de slavernij. Die aantekeningen zijn niet gedateerd. Bovenaan de eerste bladzijde staat het nummer “5”.5

In de toespraak stelt hij vast dat men de slavernij niet langer Gods verdiende straf voor zwarte mensen noemt. Toch is men volgens hem nog altijd niet bereid het kwaad uit te roeien.5 In ongedateerde aantekeningen voor een lezing of college schrijft hij dat ook “Christennatieën” de taak hebben “om arbeid van slavernij te bevrijden”, en dat “het eigendom van slaven op onregt berust”. Maar in dezelfde redenering staat dat “de eigenaars, die onder bescherming van de wet […] geld voor menschenwaar hebben betaald, bij eene latere wet, aanspraak op schadeloosstelling hebben”.23

Dat was het standpunt van een jurist. Slavernij was onrecht, maar het eigendom was onder de wet verkregen, en wie de wet veranderde, moest de eigenaars betalen. Over de mensen die zelf als eigendom golden, en wat zij te vorderen hadden, staat in deze zinnen niets. In 1863 zou de Nederlandse staat de afschaffing precies zo regelen: de eigenaars kregen een vergoeding per persoon, de tot slaaf gemaakten zelf kregen niets.

Het contact met Londen hield niet op na 1841. Op 15 november 1844, drie jaar na zijn bezoek, schreef John Scoble Star Numan een brief. Die ligt nu in de Koninklijke Bibliotheek, in een verzameling brieven die vermoedelijk via zijn dochter in de familie Hofstede de Groot terechtkwam.24 Wat erin staat, is nog niet onderzocht.

In 1848 kwam er een gelegenheid om openlijk kleur te bekennen. Een kring in Utrecht rond Jan Ackersdijck, bij wie Star Numan nog college had gelopen, stuurde een adres aan de Tweede Kamer “over de afschaffing der slavernij”. Het adres noemde het “een schreeuwend onregt” om “menschen als eigendom te betrachten, hen als lastdieren te gebruiken en hen met zweepslagen te bedwingen om aan de willekeur van eigenaars te gehoorzamen”. Over de eigenaars stond er ook iets in. Het lag “geenszins in de bedoelingen der Adressanten, dat de belangen der eigenaars in de koloniën zouden worden voorbijgezien”. De ondertekenaars wilden “dat uit de vrijheid der arbeiders eene betere toekomst voor de planters worde mogelijk gemaakt”, en zij beschouwden het “als eene schuld der natie, om de opoffering, die de vrijverklaring welligt zal vorderen, te dragen”.25

Portret van Jan Ackersdijck, hoogleraar in Utrecht, rond wie in 1848 het adres tegen de slavernij ontstond. Litho door A.J. Groeneveldt, na 1862. Rijksmuseum, RP-P-1905-1929.
Portret van Jan Ackersdijck, hoogleraar in Utrecht, rond wie in 1848 het adres tegen de slavernij ontstond. Litho door A.J. Groeneveldt, na 1862. Rijksmuseum, RP-P-1905-1929. Bron

Onder het adres staat: “C. STAR NUMAN, Hoogleeraar te Groningen.” Ook zijn vader tekende, als directeur van de Veeartsenijschool in Utrecht. Onder de ondertekenaars waren vijftien Groningers, onder wie zijn collega Pareau, Haijunga, Hofstede de Groot en zijn oud-student B.D.H. Tellegen.25 Het adres zei wat Star Numan in zijn aantekeningen had geschreven: de slavernij moest weg, en de natie moest de eigenaars betalen.

Een vooruitstrevend man was hij daarmee niet. Hetzelfde jaar 1848 bracht een nieuwe grondwet, met meer macht voor het parlement. Star Numan was ertegen. Zijn biograaf citeert hem over het “huwen van het Koningschap aan eene onhuwbare Democratie”.26 Twee jaar later raakte hij in een openbare ruzie verwikkeld. Hij had een voorrede geschreven bij een Nederlandse vertaling van toespraken van de Amerikaanse predikant William Ellery Channing, vertaald door Tellegen. Channing was ook een bekend tegenstander van de slavernij, maar zijn stukken daarover staan niet in de bundel. In de Tweede Kamer beriep het liberale Kamerlid J.F. Zijlker zich in het debat over de kieswet op dat boekje. Star Numan reageerde met een open brief in de Groninger Courant. Daarin gebruikte hij de slavernij als argument tegen de democratie:

Ook weet ik, dat de Amerikaansche Staten democratieën zijn, en deze de afschuwelijkste dwingelandij vormen, in de eerste plaats voor de zwarten, en niet minder voor het blanke menschenras, zoo dit ooit door eenig negerbloed is bezoedeld geweest.27

In zijn voorrede had hij al iets vergelijkbaars geschreven. Zijlker citeerde het in zijn antwoord: “Wee hen, indien eenmaal door de neger-slaven, en door de vrijgelaten en vrije negers, die paria’s, in dat gedeelte der Unie, waar men van slavernij gruwt, de toepassing zal worden geëischt, van hetgeen oorspronkelijk aan allen is toegezegd”.28

In die zinnen is de slavernij een gruwel, maar niet om wat zij met de tot slaaf gemaakten deed. Ze dient als bewijs dat volkssoevereiniteit tot dwingelandij leidt. Zwarte Amerikanen die de rechten opeisen die “aan allen” beloofd waren, zijn er een dreiging. De taal over “negerbloed” spreekt voor zich. Dezelfde man die in 1848 tekende dat het “een schreeuwend onregt” was om mensen als eigendom te behandelen, schreef twee jaar later zo over hen.

De laatste jaren van Star Numan waren die van een gevestigd man. In 1848 verloren hij en Octavia hun jongste kind, Alexander Henricus, ruim drie jaar oud.29 In 1852 stierf zijn vader in Utrecht. In 1854 werd hij voor de tweede keer rector van de hogeschool. Op 12 augustus 1856 zat hij in Utrecht de reünie voor van de vrijwillige jagers, precies vijfentwintig jaar na Leuven. Het was zijn laatste rede.8

Kort na Pasen 1857 werd hij ziek. Op zaterdag 9 mei, om elf uur ‘s avonds, stierf hij in zijn huis aan de Oude Kijk in ‘t Jatstraat, vijftig jaar oud.6 Octavia zette een advertentie in de krant: hij werd “diep betreurd door mij en zijne drie nagelatene Kinderen”.30 Op 13 mei werd hij begraven. “Bijna alle kweekelingen der hoogeschool” liepen mee. Aan het graf spraken Philipse, de rector en de voorzitter van het studentencorps, en daarna bedankte “de jeugdige zoon des afgestorvene”, de zestienjarige Oncko Wicher, de aanwezigen.31

Octavia overleefde haar man bijna veertig jaar. In 1887 woonde ze nog in het huis aan de Oude Kijk in ‘t Jatstraat, en ze stierf op 4 december 1896 in Groningen, negentig jaar oud.32 Haar broer Gerard Regnier Gerlacius van Swinderen was van 1849 tot zijn dood in 1879 lid van de Eerste Kamer voor Friesland.33 Toen de Eerste Kamer in 1862 over de afschaffing van de slavernij stemde, stemde hij vóór.34 Op 1 juli 1863 werden de tot slaaf gemaakten in Suriname en op de Antillen vrij verklaard. De eigenaars kregen een vergoeding per persoon, betaald door de staat. Onder hen waren de kinderen van Hendrikus Octavius Feith, die in 1841 met Star Numan in De Doelen had gezeten. Zij waren mede-eigenaar van plantage ‘t IJland in Suriname.35 De familie Star Numan staat niet in de lijsten. Bij haar of bij haar erfgenamen is na 1834 geen koloniaal bezit meer gevonden.36

Wisselbrief "Opheffing der slavernij": een schadeloosstelling van driehonderd gulden, uitbetaald aan een eigenaar in Suriname, 23 juli 1863. Ministerie van Koloniën. Rijksmuseum, NG-2009-140-1.
Wisselbrief “Opheffing der slavernij”: een schadeloosstelling van driehonderd gulden, uitbetaald aan een eigenaar in Suriname, 23 juli 1863. Ministerie van Koloniën. Rijksmuseum, NG-2009-140-1. Bron

Wat deed Cornelis Star Numan met zijn erfenis? Het geld en de grond van zijn grootvader kwamen in 1834 bij hem terecht zonder dat de aangifte de herkomst noemde. In zijn levensbericht komt Curaçao niet voor. Toch ontving hij in 1841 een Engelse abolitionist in zijn huis, hij bewaarde diens blad, schreef aantekeningen tegen de slavernij en zette in 1848 zijn naam onder een pleidooi voor afschaffing. Was hij daarmee een abolitionist? Hij vond de slavernij onrecht, maar ook dat de eigenaars betaald moesten worden, en hij gebruikte de slavernij net zo goed als argument tegen de democratie. Die tegenstrijdigheid was niet alleen de zijne. Ze zat in de wet die de slavernij in 1863 afschafte.

Voor Louis Alons, die zijn grootouders als kind hadden meegenomen van Curaçao, kwam die wet te laat. Hij was in 1831 gestorven, als arbeider in Kleinemeer. Voor hem had niemand een schadeloosstelling gevraagd.

Noten

  1. The British and Foreign Anti-Slavery Reporter, vol. 2 nr. 24, 1 december 1841, p. 256–257, https://archive.org/details/sim_anti-slavery-reporter-and-aborigines-friend_1841-12-01_2_24 ↩ ↩2 ↩3↩4

  2. Slavery Abolition Act 1833 (3 & 4 Will. IV c. 73), https://www.legislation.gov.uk/ukpga/Will4/3-4/73/contents/enacted; over de schadeloosstelling: Legacies of British Slavery, University College London, https://www.ucl.ac.uk/lbs/↩

  3. Janse, De afschaffers, p. 53–55.↩

  4. Drentsche Courant, 23 november 1841, p. 3, “Groningen, den 20 November”, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010785730:mpeg21:a0005. Ook het Journal de La Haye van 22-11-1841 (naar de Groninger Courant) noemt 16 november. M.D. Teenstra, De negerslaven in de kolonie Suriname (Dordrecht 1842), en de brief van 19 november in de Reporter noemen woensdag 17 november. ↩↩2

  5. Groninger Archieven, toegang 2097 (familie Star Numan), inv. 31. ↩ ↩2↩3

  6. Groninger Archieven, BS Groningen, geboorte Catharina Dorothea Star Numan, 25-3-1836, akte 300 (“oude Kyk int Jatstraat Lett. I No 2”); BS Overlijden Groningen 1857, akte 324, https://www.openarchieven.nl/gra:e0a951fa-67e8-a986-be90-7cb637a919bf; ligging van I 2 (nu nr. 6) volgt uit Groninger Archieven, toegang 1481 (perceel Oude Kijk in ‘t Jatstraat 8), inv. 4 (3-3-1841: “ten zuiden prof. Numan”). ↩↩2

  7. Groninger Archieven, toegang 1890, inv. 73, memorie van successie Cornelis Star Lichtenvoort, ingeleverd 10-3-1834, https://www.openarchieven.nl/gra:78cad1e2-5a96-6f47-ddf4-1a5b6564adf9 ↩↩2

  8. J.H. Philipse, “Levensberigt van Mr. Cornelis Star Numan”, Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde 1858, p. 162–217, hier p. 163–165, 173, 175–177, 216, https://www.dbnl.org/tekst/_jaa002185801_01/_jaa002185801_01_0027.php ↩ ↩2 ↩3 ↩4 ↩5 ↩6↩7

  9. Groninger Archieven, toegang 124 (DTB), inv. 400, doop Sappemeer 15-2-1807, https://www.openarchieven.nl/gra:3199044d-5055-10e3-69d1-04152780f6c6↩

  10. Album studiosorum Academiae Groninganae (Groningen 1915), lijst van curatoren, kol. 642, https://www.delpher.nl/nl/boeken/view?identifier=MMTRES06:246005000:00349↩

  11. Groninger Courant 18-4-1820, p. 2, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010773220:mpeg21:a0010; zie het verhaal over Louis Alons.↩

  12. Philipse, “Levensberigt”, p. 175; “Nominatieve staat der Compagnie Vrijwillige Jagers van de Utrechtsche Hoogeschool”, Utrechtsche Studenten-Almanak 1831, https://www.delpher.nl/nl/boeken/view?identifier=MMUTRA01:001310001:00190↩

  13. Groninger Archieven, BS Overlijden Sappemeer 1831, akte 19, https://www.openarchieven.nl/gra:55604dfd-d626-e5e0-6832-5c964d8db154↩

  14. Utrechtsche Courant 19-8-1833, p. 3 (advertentie van A. Numan), https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB23:001787099:mpeg21:a00010; Het Utrechts Archief, BS Overlijden Utrecht 1833, akte 819, https://www.openarchieven.nl/hua:DF3D3A1D-4830-4118-AC29-9F36F2A0104A↩

  15. Groninger Courant 20-12-1833, p. 3, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010772842:mpeg21:a0022↩

  16. Wet van 27 december 1817 tot het heffen eener belasting onder den naam van regt van successie, art. 4: “Voor Boedels van Ingezetenen dezes Rijks, geërfd wordende in de regte lijn […] zal de aangifte zich bepalen tot de vermelding: 1o. Der Erfgenamen en der onroerende Goederen, hun aangekomen, en binnen dit Rijk gelegen”; erfenissen in de rechte lijn waren vrijgesteld (art. 24). Tekst in Surinaamsche Almanak voor het jaar 1830, p. 139–164, https://www.dbnl.org/tekst/_sur001183001_01/_sur001183001_01_0012.php↩

  17. Rotterdamsche Courant 26-4-1834, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010978164:mpeg21:a0014; Philipse, “Levensberigt”, p. 179.↩

  18. Groninger Courant 13-6-1834, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010772891:mpeg21:a0018. De oratie verscheen als Oratio de jure publico hac nostra potissimum aetate recte excolendo (Groningen 1834).↩

  19. Groninger Archieven, BS Huwelijk Groningen 1834, akte 216, https://www.openarchieven.nl/gra:0cba8469-b60f-c087-f58d-ccca87ce9b5e↩

  20. Groninger Archieven, BS Geboorte Groningen 1836 akte 300, https://www.openarchieven.nl/gra:67890fab-59b7-634a-a807-d1976887e11b; 1838 akte 512, https://www.openarchieven.nl/gra:b8012c46-5a3c-10b2-cd3f-cf8e07765cc4; 1840 akte 755, https://www.openarchieven.nl/gra:03e5c902-d060-4443-7a49-40e70da4a8b8; 1843 akte 828, https://www.openarchieven.nl/gra:77218bb6-1e66-daf2-3d41-bd331e880604; 1845 akte 266, https://www.openarchieven.nl/gra:a8a08c9e-d2b5-b3fa-bcd6-092675c521af↩

  21. Brief van J.S. Mollett, Amsterdam, mei 1841, in The British and Foreign Anti-Slavery Reporter, vol. 2 nr. 11, 2 juni 1841, https://archive.org/details/sim_anti-slavery-reporter-and-aborigines-friend_1841-06-02_2_11↩

  22. M.D. Teenstra, De negerslaven in de kolonie Suriname (Dordrecht 1842), https://www.dbnl.org/tekst/teen002nege01_01/↩

  23. Ongedateerde aantekeningen van C. Star Numan, geciteerd in Henkes e.a., Sporen van het slavernijverleden in Groningen, p. 30.↩

  24. Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, 424 B 9 (autografenverzameling Hofstede de Groot), brief van John Scoble aan C. Star Numan, 15-11-1844, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=PPN:311610331↩

  25. [J. Ackersdijck e.a.], Adres aan de edelm. H.H. president en leden van de Tweede Kamer der St. Gen. over de afschaffing der slavernij ([Utrecht] 1848), p. 2, 6, 8, 11–12, https://books.google.com/books?id=p47wWoKqadEC; over de vijftien Groningse ondertekenaars: M.J. Janse, De afschaffers. Publieke opinie, organisatie en politiek in Nederland 1840–1880 (Amsterdam 2007), p. 82–83. ↩↩2

  26. Philipse, “Levensberigt”, p. 205.↩

  27. C. Star Numan, open brief aan J.F. Zijlker, Groninger Courant 18-6-1850, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010771542:mpeg21:a0009; over de ophef: De Nederlander 29-7-1850, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010067685:mpeg21:a0004↩

  28. J.F. Zijlker, Antwoord aan den hoogleeraar Numan, op zijnen aan mij gerigten openen brief (1850), p. 50–51, https://books.google.com/books?id=jP1bAAAAcAAJ, naar C. Star Numan, voorrede bij W.E. Channing, Zede- en staatkundige toespraken, vert. B.D.H. Tellegen, dl. 1 (Groningen 1850).↩

  29. Utrechtsche Courant 10-7-1848, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010779121:mpeg21:a0029; Groninger Archieven, BS Overlijden Groningen 1848, https://www.openarchieven.nl/gra:26bad374-1ac0-a826-489b-19d802a8b52b↩

  30. Groninger Courant 13-5-1857, p. 4, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010772674:mpeg21:a0033↩

  31. Groninger Courant 15-5-1857, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010772675:mpeg21:a0022; Philipse, “Levensberigt”, p. 217.↩

  32. Groninger Archieven, toegang 1342, inv. 27 (brief van een assuradeur over haar huis in de Oude Kijk in ‘t Jatstraat, 1887); BS Overlijden Groningen 1896, akte 997, https://www.openarchieven.nl/gra:a3657eb8-5f1c-25c0-1432-0e6266b3058e; Groninger Archieven, toegang 2393 (Fraeylemaborg), inv. 2561 (rekening voor haar erfgenamen wegens werk aan het huis in de Oude Kijk in ‘t Jatstraat, 1897).↩

  33. Parlement.com, “Jhr. G.R.G. van Swinderen”, https://parlement.com/biografie/jhr-grg-van-swinderen↩

  34. O. ten Hove, “Stemgedrag Nederlandse politiek en afschaffing slavernij”, Wi Rutu 14, nr. 2 (december 2014), p. 23–52.↩

  35. Nationaal Archief, index Emancipatie 1863 (Suriname), eigenaren met de naam Feith, plantage ‘t IJland.↩

  36. Nationaal Archief, index Emancipatie 1863 (Suriname en de Antillen), slavenregisters Suriname 1830–1863 en Curaçao 1839–1863, manumissies Curaçao 1722–1863: geen eigenaren met de namen Star Numan, Numan, Van Swinderen of Star Lichtenvoort.↩